Waarom denken we dat kwetsbaarheid een zwakte is?
Op een platform vol succesverhalen schreef iemand de waarheid: het gaat even niet. Waarom veronderstellen we dat kwetsbaarheid gelezen wordt als zwakte?
Gisteren kwam op mijn LinkedIn-tijdlijn een post voorbij die bleef hangen. LinkedIn is, laten we eerlijk zijn, gebouwd op succesverhalen: de nieuwe opdracht, de mooie cijfers, de award. En tussen al dat glanzende deed iemand iets anders. Zij schreef gewoon de waarheid: dat het haar momenteel niet goed gaat. Een blessure bovenop een chronische aandoening, de tranen permanent op de loer. En midden in die tekst stond de zin die me niet meer losliet:
“Mag ik dat hier wel laten zien? Gooi ik dan mijn eigen ruiten niet in?”
Het eerlijke antwoord is dat die vraag hout snijdt. Want ergens veronderstellen we het allemaal: dat kwetsbaarheid op een plek als deze gelezen wordt als zwakte. Dat wie toegeeft dat het even niet lukt, zichzelf uit de markt prijst. Ik betrapte mezelf bijna op exact diezelfde reflex toen ik haar post las, een flits van “mag dit hier?”. En bij die flits wil ik even stilstaan, want ik denk dat hij meer over mij zegt dan over de lezer.
We zijn het zo gewend. Zeker in mijn vak. Een interim manager wordt binnengehaald omdat er een probleem is, en de onuitgesproken verwachting is dat je het antwoord meebrengt. Sterke schouders, kalme blik, geen twijfel. De cultuur beloont de mens die altijd lijkt te weten waar het heen moet. Dus leren we, jaar na jaar, om de twijfel weg te poetsen voor we de kamer binnenstappen.
Maar kijk dan eens naar wat er écht gebeurde onder die post. Geen hoongelach. Geen mensen die afhaakten. Wel herkenning, warmte, steun, en een hele rits mensen die schreven: dank dat je dit durft te tonen. De zwakte die we vrezen, bleek in de praktijk een verbinding. En dat brengt me bij een ongemakkelijke vraag: wie ziet kwetsbaarheid hier eigenlijk als zwakte? De lezers deden het niet. Misschien is “ze zullen me zwak vinden” geen oordeel dat van buiten komt, maar een angst die we zelf meedragen en op de ander projecteren.
In transformatietrajecten zie ik trouwens het omgekeerde van wat de aanname voorspelt. De snelste manier om een team te verliezen, is onkwetsbaarheid spelen. De leider die nooit zegt “dit weet ik nog niet” of “dit vind ik moeilijk”, bouwt geen vertrouwen op; maar wel afstand. Psychologische veiligheid, het ding waar elke verandering op draait, begint bij iemand die als eerste durft te zeggen dat hij het ook niet allemaal in de hand heeft. Kwetsbaarheid tonen is daar niet de afwezigheid van kracht. Het is het bewijs ervan.
En de prijs van het tegenovergestelde is hoog. Dat masker van “altijd boven” kost energie, het isoleert, en voor wie écht worstelt met een chronische ziekte, een tegenslag, een periode waarin het gewoon niet gaat, maakt diezelfde norm dat ze zich niet meer welkom voelen. Zij vroeg het scherper dan ik het kan:
“Ben ik ook welkom met mijn ogen op half zeven?”
Dat is de echte vraag. Niet of kwetsbaarheid een zwakte is, maar of we ruimte maken voor mensen op de momenten dat ze niet blinken.
Dus neen, je gooit je eigen ruiten niet in. Je doet het tegenovergestelde van wat de aanname je influistert. Het vergt kracht om te tonen wat niet af is, om het te verwoorden, om ermee om te gaan in het volle zicht. Niet omdat je het graag doet, maar omdat het uiteindelijk eerlijker is. Naar jezelf, en naar de mensen die meekijken en stilletjes hetzelfde voelen.
Zij trekt binnenkort naar Brussel om een dossier rond duurzaam deeltijds ondernemerschap te verdedigen. Met haar ogen op half zeven, zoals ze zelf schrijft. Als dat geen kracht is, weet ik niet wat het wel is.

