Wout, die lekke banden, en waarom ik maandagochtend anders naar mijn planning keek

Van Aert won Roubaix met twee lekke banden achter zich. Niet door geluk: de reservefiets stond al klaar. Drie observaties voor wie programma's runt.

Joost De Weghe in zijn kantoorDoor Joost De WegheLeestijd: 3 min

Ik zat op de zetel met mijn favoriete frisdrank. Wout Van Aert reed naast Pogacar de velodroom binnen, en ik dacht niet aan de finish. Ik dacht aan sectie 16, een uur eerder, waar hij zijn tweede lekke band had gekregen en — zonder zichtbare paniek — op een reservefiets was gesprongen en teruggereden was naar de kopgroep.

Natuurlijk ook de sprint, ook de tranen, ook de vinger naar de hemel voor Michael Goolaerts. Maar vooral die man die een reservefiets pakt, zijn hoofd buigt en toch geen gelaten indruk geeft.

Want dat is in de praktijk hoe het gaat in programma's. Je hebt geen grote, dramatische crisismomenten waar iedereen zich goed op voorbereidt. Je hebt sectie 16. Een afhankelijkheid die wegvalt. Een externe partner die je verrast. Een teamlid dat uitvalt op het verkeerde moment. En dan sta je daar, en je hebt twee opties: stilvallen of op de reservefiets springen.

Het verschil tussen die twee zit hem niet in karakter of wilskracht. Het zit hem in of je team die reservefiets al klaar had staan. Van Aerts ploeg had dat. Christophe Laporte reed tempo in de groep om het venster open te houden. Dit team had dat afgesproken — niet ter plekke, maar van tevoren.

Wat leer ik hieruit? Bepaal niet alleen wát er mis kan gaan, maar ook wie wat doet in de eerste twintig minuten nadat het fout is gelopen. Het klinkt saai. Het is het verschil tussen terugkeren in de koers of langs de kant staan kijken.

Wat me ook bijbleef is hoe lang hij al bezig is met deze overwinning. 2018 was zijn eerste Roubaix. Goolaerts stierf in die koers. Ik herinner mij nog goed dat moment. Van Aert kwam elk jaar terug — door crashes, ziekte, pech en nog meer pech. Zeven keer aan de start. Zeven keer met hetzelfde doel. Bijna elke keer net niet zijn doel behaald.

Dat is geen koppigheid. Dat is een langetermijndoelstelling die stevig genoeg verankerd was om slechte jaren te overleven. Het is gewoon weten waarom je het doet, ook op de momenten dat het niet lukt. Zonder dat anker geef je ergens in jaar twee of drie de geest — niet omdat het programma mislukt is, maar omdat de energie op is en de sponsor het niet meer ziet zitten.

“Pogacar probeerde hem de hele laatste 53 kilometer te lossen. Het lukte niet. Niet omdat Van Aert sterker was — maar omdat de ervaring hem geleerd heeft hoe hij moet anticiperen op de aanvallen.”

En dan die sprint. Op het moment dat hij de velodroom inreed, had hij al twee lekrijders achter de rug, meer dan 250 kilometer in de benen, en een wereldkampioen naast zich die er alles aan had gedaan om hem te kraken. En toch. Die benen leverden.

Dat komt niet uit het niets. Dat is het resultaat van alles wat er de maanden voordien is ingegaan. De sprint in de velodroom is eigenlijk al beslist lang voor je er aankomt.

Een programma dat goed afsluit is bijna altijd het resultaat van beslissingen die maanden eerder werden genomen. Als je aan het einde moet improviseren, is het meestal al te laat.

Ik ga geen grote lessen trekken uit een wielerkoers. Maar ik keek maandagochtend wel even anders naar mijn planning. Heb ik mijn sectie 16 al gedekt? Weet elk team wat er gebeurt als de reservefiets nodig is? En weet ik nog waarom we eigenlijk aan de start staan?

Soms is dat genoeg om te beginnen.


Joost De Weghe is interim programma-, project- en transformatiemanager. Dit artikel verschijnt op takeaway-manager.be, ambassadeurssite van makeitso.be.


Wout, lekke banden en mijn maandagochtend-planning | Take Away Manager